Wijnsteenzuur is wit, kristallijn organisch zuur dat van nature in veel fruit voorkomt, vooral in druiven, maar ook in bananen, tamarinde, en citrus. Het is zout, kaliumbitartraat, algemeen bekend als room van wijnsteen, ontstaat op natuurlijke wijze tijdens het fermentatieproces. Het wordt gewoonlijk gemengd met natriumbicarbonaat en wordt verkocht als bakpoeder dat wordt gebruikt als rijsmiddel bij de bereiding van voedsel. Het zuur zelf wordt aan voedingsmiddelen toegevoegd als antioxidant E334 en om de kenmerkende zure smaak te geven. Natuurlijk voorkomend wijnsteenzuur is een nuttige grondstof bij de organische chemische synthese. Wijnsteenzuur is een alfa-hydroxy-carbonzuur, is diprotisch en aldarinezuur wat betreft zure eigenschappen, en is een dihydroxylderivaat van barnsteenzuur.
Wijnsteenzuur is al eeuwen bekend bij wijnmakers. Echter, het chemische proces voor extractie werd ontwikkeld in 1769 door de Zweedse chemicus Carl Wilhelm Scheele. Wijnsteenzuur speelde een belangrijke rol bij de ontdekking van chemische chiraliteit. Deze eigenschap van wijnsteenzuur werd voor het eerst waargenomen in 1832 door Jean Baptiste Biot, die het vermogen ervan observeerde om gepolariseerd licht te roteren. Louis Pasteur zette dit onderzoek voort in 1847 door de vormen van natriumammoniumtartraatkristallen te onderzoeken, waarvan hij ontdekte dat het chiraal was. Door de verschillend gevormde kristallen handmatig te sorteren, Pasteur was de eerste die een puur monster levowijnsteenzuur produceerde.